Saldering termijn schuldsanering en eerdere ingangsdatum
De rechtbank saldeert de in het minnelijk traject ontstane nieuwe schuld met de verzochte ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling, zodat bij het bepalen van de eerdere ingangsdatum geen rekening wordt gehouden met de verzochte 12 maanden, maar met 10 maanden. De rechtbank brengt op de reeds verrichte maandelijkse aflossingen gedurende het traject van schuldhulp 2 maanden in mindering: de afdracht over deze periode staat gelijk aan de nieuwe schuld die tijdens het minnelijke traject is ontstaan.
Door: Geert Lankhorst
Toelating tot de Wsnp
Verzoeker X heeft een schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen ingediend bij de Rechtbank in Lelystad, waarna een toelatingszitting is gehouden op maandag 13 april 2026. De rechtbank wijst het verzoek toe. Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde (formele en materiële) eisen. X heeft eveneens gevraagd om vanwege gedane aflossingen in het voorafgaande minnelijke schuldhulptraject een eerdere ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling te bepalen op de voet van art. 349a Fw.
Eerder aanvangsmoment
De rechtbank ziet aanleiding om het aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling ex art. 349a Fw inderdaad te vervroegen, rekening houdend met de inspanningen die verzoeker reeds heeft gedaan ten behoeve van zijn schuldeisers. X heeft in het kader van een minnelijke schuldregeling gedurende 12 maanden maandelijks een bedrag ad € 550,00 afgedragen conform het voor hem geldende vrij te laten bedrag (Vtlb). Een ogenschijnlijk “gewoon” vonnis, maar toch een nadere beschouwing waard.
Saldering met nieuw ontstane schuld
De rechtbank te Lelystad zal op deze maandelijkse aflossingen 2 maanden in mindering brengen. Dat is gelijk aan de nieuwe schuld die tijdens het minnelijke traject is ontstaan, namelijk een bedrag van € 1.009,00 waarvoor X is veroordeeld vanwege een eerder door hem begane verkeersovertreding. Dit bedrag komt overeen met twee maanden afdracht. De nieuwe schuld is door zijn moeder voldaan, die ook voor dat bedrag als nieuwe schuldeiser recent is toegevoegd aan de schuldenlast van verzoeker. Kennelijk was dit bedrag door de moeder als lening voldaan en niet ten titel van schenking, anders zou zij geen schuldeiser zijn geworden. Bijzonder is ook dat het karakter van de nieuwe recente schuld (niet te goeder trouw) geen beletsel vormt voor de rechtbank in het kader van de goede trouw-toelatingseis. Dit leidt er volgens de rechtbank toe dat de schuldsanering niet de reguliere termijn van achttien maanden in totaal zal duren, maar vanaf de toelating nog acht maanden zal duren. Er wordt zodoende door middel van saldering - verrekening van gedane afdrachten - een termijnaftrek van netto tien maanden toegepast.
Rechterlijke beoordelingsruimte bij termijnbepaling
Art. 349a Fw staat bij de termijnbepaling van een schuldsaneringsregeling een dergelijke saldering toe, nu de rechter een grote mate van vrijheid heeft om aan de hand van de bijzondere feiten en omstandigheden van het geval de exacte duur van een schuldsaneringsprocedure vast te stellen. Dit geldt ook wat betreft het (al dan niet verzochte, want ambtshalve kan het ook) eerdere aanvangsmoment. Saldering zou bijvoorbeeld ook mogelijk zijn voor het (hier niet aan de orde zijnde) geval dat weliswaar enige tijd door de schuldenaar is afgedragen aan de schuldeisers in het minnelijke schuldhulptraject, maar niet genoeg conform het geldende vrij te laten bedrag. Ook dan kan de rechter met een x-aantal maanden salderen. Bij het bepalen van een eerdere ingangsdatum wordt de vergelijking getrokken of het minnelijke schuldhulptraject "Wsnp-conform" is geweest.
Wsnp-conform
Voor dit aspect moeten we even terug naar het befaamde Kerstarrest van de Hoge Raad (HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913, prejudiciële beslissing op ECLI:NL:GHDHA:2023:2606). Wanneer mag er een eerdere ingangsdatum dan de toelatingszitting worden bepaald? Het uitgangspunt is en blijft volgens de Hoge Raad dat de schuldenaar zich tijdens het schuldhulptraject maximaal moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Als de rechter vaststelt dat de schuldenaar zich tijdens het minnelijke voortraject voldoende heeft ingespannen ten behoeve van zijn schuldeisers, staat de eventuele omstandigheid dat de verplichtingen die voortvloeien uit het minnelijke voortraject niet geheel gelijk (cursivering auteur) zijn aan de verplichtingen uit de schuldsanering, niet eraan in de weg om de termijn van de schuldsanering te laten lopen vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan. Dus op de schuldenaar rust tijdens het minnelijke voortraject een inspanningsplicht die “niet geheel gelijk” behoeft te zijn aan, maar wel “vergelijkbaar is met” de inspanningsplicht die geldt tijdens de Wsnp. Niet identiek dus, maar ongeveer hetzelfde als hetgeen in de Wsnp geldt is wat de inspanningsplicht betreft goed genoeg om een eerdere ingangsdatum te verkrijgen. In de geldende Recofa-richtlijnen – de Hoge Raad zegt dit niet met zoveel woorden - lijkt dat dus iets te streng geformuleerd.
Nakoming inspanningsplicht
Moet de rechter dan de gehele voorbije periode van het buitengerechtelijke voortraject betrekken bij de eerdere ingangsdatum ? Neen, zo is het nu ook weer niet, zo oordeelt de Hoge Raad in het volgende citaat, want de beslissingsvrijheid ten aanzien van de termijnbepaling blijft bestaan:
De rechter is bevoegd om bij de toepassing van het alternatieve aanvangsmoment van art. 349a lid 1 Fw de omstandigheid in aanmerking te nemen dat de schuldenaar niet of niet volledig heeft voldaan aan de inspanningsplicht die op hem rustte tijdens het minnelijke voortraject. Mocht de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject volgens de normen te weinig hebben afgelost of gespaard dan kan de rechter – vooropgesteld dat art. 288 lid 1 Fw niet in de weg staat aan toewijzing van het schuldsaneringsverzoek – saldering toepassen, dan wel op andere wijze bepalen hoeveel eerder de termijn van de schuldsanering kan ingaan dan het moment waarop hij de toepassing uitspreekt. Ook kan de rechter gebruikmaken van de mogelijkheid de termijn van de schuldsanering te verlengen als de schuldenaar niet aan al zijn verplichtingen heeft voldaan.
Kan termijnsaldering altijd?
De Hoge Raad koppelt saldering aan een gebrek in de nakoming van de inspanningsplicht. Een termijnsaldering ten aanzien van andere tekortkomingen dan in de mate van aflossen lijkt minder voor de hand te liggen. Vandaar dat het “Flevo-vonnis” toch wel bijzonder te noemen is, omdat hier termijnsaldering plaatsvindt vanwege een nieuw ontstane schuld, die ook nog eens een strafrechtelijk (niet te goeder trouw) karakter heeft. En hoe zou het gaan bij andere schuldsaneringsverplichtingen? Het toestaan van een eerdere ingangsdatum, maar dan minder dan verzocht, omdat er bijvoorbeeld niet Wsnp-conform is gesolliciteerd naar betaald werk, lijkt een moeilijker pleidooi. Indien er 4 van de 6 maanden onvoldoende is gesolliciteerd, kan de ingangsdatum dan slechts 2 maanden eerder komen te liggen dan de toelatingszitting? Of bij een verzuim in de inlichtingenplicht: kan men eerder worden toegelaten ook al heeft men 4 maanden niet naar behoren de schuldhulpverlener ingelicht, waarmee dan een saldering van 4 maanden zou worden toegepast ? Het zijn vragen die nog niet helemaal zijn uitgekristalliseerd in de jurisprudentie.
Hoe dan ook is in deze zaak de slotsom: de rechtbank spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van X en stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op acht maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak.