Rechtbank Den Haag - toelating met eerdere ingangsdatum
Hier vindt u een verzameling uitspraken van rechtbank Den Haag, waarbij het Wsnp-verzoek wordt toegewezen en de rechtbank aanleiding ziet om een eerdere ingangsdatum te bepalen. Die eerdere ingangsdatum kan conform het verzoek zijn, maar soms ook daarvan afwijken.
Rechtbank Den Haag, 4 november 2025
De rechtbank wijst het verzoek om toelating tot de Wsnp toe en ook op het verzoek om een eerdere ingangsdatum beslist de rechtbank positief. Als uitgangspunt voor aanvang van het minnelijk traject hanteert de rechtbank het moment waarop de schuldhulpverlener de afloscapaciteit heeft vastgesteld aan de hand van een eerste correcte berekening van het vrij te laten bedrag (de Vtlb-berekening). In dit verband verwijst de rechtbank naar haar eigen uitspraak van 10 april 2025 - zie hieronder. De rechtbank merkt daarbij op dat dit ook geldt ingeval van beslag of een ontbrekende afdrachtcapaciteit.
Zie bijvoorbeeld ook rechtbank Den Haag, 3 november 2025, in welke zaak eveneens het verzoek om een eerdere ingangsdatum werd gehonoreerd. In die zaak was sprake van beslagleggingen, waarbij aan de beslagleggers bedragen zijn afgedragen die tenminste gelijk zijn aan de bedragen die volgen uit de berekening van de afloscapaciteit op basis van de geldende normen.
Rechtbank Den Haag, 15 september 2025
Verzoeker wenst een eerdere ingangsdatum, na aftrek van de maanden van het minnelijk traject 28 februari 2025. Bij het verzoek is een Sociaal Medisch Advies overgelegd waaruit blijkt dat verzoeker volledig arbeidsongeschikt is. Er rustte dus tijdens het minnelijk traject geen sollicitatieverplichting op verzoeker en volgens de overgelegde vtlb-berekeningen vanaf februari 2025 was en is er geen sprake van afdrachtcapaciteit. De eerdere ingangsdatum wordt toegewezen.
Rechtbank Den Haag, 15 september 2025
Over de eerdere ingangsdatum overweegt de rechtbank (weer): “Als uitgangspunt voor aanvang van het minnelijk traject hanteert de rechtbank Den Haag het moment waarop de schuldhulpverlener de afloscapaciteit heeft vastgesteld aan de hand van een eerste correcte berekening van het Vrij te laten bedrag (de vtlb-berekening): zie in dit verband onder meer Rechtbank Den Haag, 10 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5966. Dit geldt ook ingeval van beslag/ontbrekende afdrachtcapaciteit, want bepalend is het moment van vaststelling door de schuldhulpverlener van de (ontbrekende) afdracht en daarvoor is een correcte vtlb-berekening nodig.”
Eerdere ingangsdatum wordt op 15 maart 2024 bepaald. Hier verlengt de rechtbank wel met 6 maanden na datum vonnis (rechtbank overweegt “rechtbank volgt de aanbeveling van Recofa op”) en bepaalt dit ook in het dictum.
Rechtbank Den Haag, 25 augustus 2025
Ten aanzien van de eerdere ingangsdatum overweegt de rechtbank (in overweging 2.6) als volgt:
"Een termijn van een wettelijke schuldsaneringsregeling kan beginnen te lopen vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f Fw. Het moet gaan om een eerste aflossing tijdens ‘het minnelijk traject van schuldhulpverlening’ (HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913, r.o. 3.9-3.10). Vanaf dat moment moet de schuldenaar maximaal aflossen op zijn schulden. Daarnaast moet hij zich in de verzochte periode maximaal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven."
De verzoekers vragen de rechtbank om de ingangsdatum te bepalen op 11 maart 2025. De rechtbank gaat daar deels in mee. Uit de stukken is gebleken dat verzoekers zich in het minnelijk traject in totaal per saldo drie maanden maximaal hebben ingespannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verkrijgen. De rechtbank bepaalt de eerdere ingangsdatum daarom op 25 mei 2025.
Rechtbank Den Haag, 25 augustus 2025
Net als in de uitspraak van 25 augustus die hierboven is opgenomen gebruikt de rechtbank de standaardformulering ten aanzien van de eerdere ingangsdatum (overweging 2.6). Vervolgens wijst de rechtbank het verzoek om een eerdere ingangsdatum per 30 mei 2024 toe. Het vtlb is daags voordien vastgesteld en vanaf dat moment heeft verzoekster zich maximaal ingespannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven.
Ten aanzien van de duur van de Wsnp volgt de rechtbank de aanbeveling van Recofa op, inhoudende dat de regeling tot zes maanden na de datum van het vonnis wordt verlengd, zodat bewindvoerder en rechtbank voldoende tijd hebben alle (administratieve) werkzaamheden uit te voeren.
Rechtbank Den Haag, 12 juni 2025
In deze zaak wijst de rechtbank het Wsnp-verzoek inclusief eerdere ingangsdatum toe. Bijzonder in deze zaak is dat de rechtbank overgaat tot verlenging van de regeling omdat de schuldhulpverlening niet voortvarend te werk is gegaan. Er was sprake van loonbeslag. Er is geen actie ondernomen om het loonbeslag ongedaan te maken. En toen de beslaglegger niet instemde met het minnelijk aanbod had het wettelijk traject ingezet kunnen worden. Om onduidelijke redenen heeft het lang geduurd voordat dat alsnog werd gedaan.
Dit heeft er toe geleid dat gedurende een langere periode dan nodig de afloscapaciteit van de schuldenares naar de beslaglegger is gegaan en er zo niet ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers is gespaard.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 december 2024 overwogen dat beslaglegging door een of meer schuldeisers in beginsel niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend. Dit laat onverlet dat alle betrokkenen er van moeten kunnen uitgaan dat een minnelijk schuldhulpverleningstraject voortvarend zal worden uitgevoerd. Zeker in geval van beslaglegging waarbij de belangen van de andere schuldeisers in het gedrang komen.
De achterliggende gedachte van de wetswijziging was dat mensen in een problematische schuldensituatie sneller een perspectief op een schuldenvrije toekomst moet worden geboden, ook gezien de lange duur van buitengerechtelijke schuldsaneringstrajecten. Een verbetering van dit perspectief moet, aldus de rechtbank, mede worden gezocht in een voortvarend en efficiënt buitengerechtelijke schuldsaneringstraject.
Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat een afweging van de belangen van alle betrokkenen in het algemeen en de niet-beslagleggende schuldeisers in het bijzonder met zich brengt dat het Wsnp-verzoek eerder had moeten worden ingediend. De rechtbank verlengt daarom de looptijd van de wettelijke schuldsaneringsregeling met twee maanden.
Zie ook André Moerman op schuldinfo.nl over deze uitspraak:
Bij loonbeslag niet voortvarend Wsnp aangevraagd
Rechtbank Den Haag, 10 april 2025
De rechtbank zet in deze uitspraak duidelijk uiteen hoe zij oordeelt over de vraag wanneer een minnelijk traject begint. Allereerst stelt de rechtbank vast dat gedurende de stabilisatiefase er nog niet met schuldeisers wordt bemiddeld of geregeld. Er is dan ook nog geen sprake van 'schuldregeling'. Met schuldregeling kan worden begonnen wanneer de stabilisatiefase is voltooid en de afloscapaciteit (door middel van berekening van het vrij te laten bedrag) kan worden vastgesteld.
Onder verwijzing naar eerdere rechtspraak en het amendement dat heeft geleid tot de wetswijziging die een eerdere ingangsdatum mogelijk maakt, vult de rechtbank “de eerste aflossing in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling” – en dus de eerste aflossing tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening – in aan de hand van het moment waarop door de schuldhulpverlener de afloscapaciteit wordt vastgesteld aan de hand van een eerste correcte berekening van het vrij te laten bedrag.
Documentsoort
- Uitspraken en jurisprudentie
Trefwoorden
- Rechtbank
- Rechtspraak
Gerelateerd
Verzameling gepubliceerde uitspraken van rechtbank Rotterdam, waarin de rechtbank overgaat tot tussentijdse beëindiging van de Wsnp zonder schone lei.
Twee van de drie schuldeisers zijn met het aanbod akkoord gegaan. De weigerende schuldeiser vertegenwoordigt 12,9% van de totale schuldenlast. Het aanbod voldoet aan de formele vereisten en is volgens de rechtbank het uiterste waartoe ...
Verzamelde uitspraken van rechtbank Den Haag betreffende de toewijzing van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord.