Rechtbank Noord-Holland: toelating met eerdere ingangsdatum
Verzamelde uitspraken van rechtbank Noord-Holland, waarbij de rechtbank de Wsnp van toepassing verklaart en reden(en) ziet om tot een eerdere ingangsdatum te komen.
Rechtbank Noord-Holland, 16 oktober 2025
Door: Geert Lankhorst
De rechtbank in Haarlem stelt vast dat de recente schuld aan de Belastingdienst betreffende de achterstallige omzetbelasting niet te goeder trouw is ontstaan. De rechtbank zal schuldenares toch via de hardheidsclausule toelaten tot de schuldsaneringsregeling. Wel mag dan van schuldenares worden verlangd dat zij vanwege deze niet te goeder trouw gemaakte schuld een extra inspanning verricht om te sparen voor haar schuldeisers. De rechtbank zal daarom de (standaard)termijn van de schuldsanering van 18 maanden verlengen met zes maanden. De rechtbank bepaalt tevens ambtshalve een eerdere ingangsdatum van de procedure in verband met een gedaan nul-aanbod aan de crediteuren tijdens het minnelijke traject van schuldhulp.
Beslissing van de rechtbank
De schuldenares heeft aan de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem verzocht om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Op de toelatingszitting die op 07 oktober 2025 plaatsvond is verschenen mevrouw zelf, vergezeld door twee vertegenwoordigers van de Kredietbank Nederland als schuldhulpverleningsorganisatie in het minnelijke traject. De rechtbank moet beoordelen of mevrouw voldoet aan de wettelijke eisen en ook moet de rechtbank (ambtshalve) beoordelen of er aanleiding is om een eerdere ingangsdatum van de schuldsanering te bepalen. De rechtbank stelt vast dat mevrouw voldoet aan de toelatingseisen. De rechtbank laat haar met ingang van 16 oktober 2025 toe. De termijn gaat lopen vanaf 17 april 2025 en eindigt dan 24 maanden later op 17 april 2027.
Geen goede trouw, maar hardheidsclausule
De rechtbank stelt vast dat de recente schuld aan de Belastingdienst inzake omzetbelasting niet te goeder trouw is ontstaan in de zin van art. 288 Fw. De rechtbank zal mevrouw toch toelaten tot de schuldsanering. Reden daarvoor is dat voldoende aannemelijk is dat het niet afdragen van de omzetbelasting mede te wijten was aan relatieproblematiek terwijl er inmiddels sprake is van een stabiele situatie met de verwachting dat zij geen nieuwe schulden meer zal maken. Deze hardheidsclausule kent een wettelijke grondslag in art. 288 lid 3 Fw. Wel mag van mevrouw worden verlangd dat zij vanwege deze niet te goeder trouw gemaakte schuld een extra inspanning verricht om te sparen voor haar schuldeisers. De rechtbank zal daarom op grond van art. 349a lid 1 Fw de (standaard)termijn van de schuldsanering van 18 maanden verlengen met 6 maanden.
Verlenging
Dit is best een opvallende (althans niet alledaagse) rechtsoverweging, want de omstandigheid dat de schuld geen goede trouw-karakter had, wordt weliswaar door de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw “weggenomen”, maar vervolgens toch tot een argument voor verlenging van de termijn gemaakt. Een verlenging wordt meestal toegepast omdat er schuldsaneringsverplichtingen niet helemaal correct zijn nagekomen, maar er voldoende aanleiding is om de saniet toch in staat te stellen om via een aanvullende termijn de schone lei te laten behalen. Een verlenging ziet men soms ook wel zozeer vanwege de belangen van de crediteuren. Maar hier gaat het om een verlenging als een soort sanctie op schulden die niet te goeder trouw zijn, en als een tegenprestatie voor de gunst dat men via de achterdeur van de hardheidsclausule toch wordt toegelaten.
Eerdere ingangsdatum
Gelet op het standaardarrest van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913) zal de rechtbank (ambtshalve) onderzoeken of er aanleiding bestaat om een eerder aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling te bepalen dan het (normale) moment waarop de schuldsanering met dit vonnis wordt toegepast. Uit de berekening van het vrij te laten bedrag (Vtlb) blijkt dat mevrouw een ziektewetuitkering genoot en in het minnelijk traject van de schuldhulpverlening geen afloscapaciteit had. De schuldhulpverlener heeft daarom in het minnelijke traject op 17 april 2025 een zogenaamd ‘nul-aanbod’ aan de schuldeisers gedaan. Zoals volgt uit het “kerstarrest” van de Hoge Raad, is ook een ‘nul-aanbod’ een aanknopingspunt voor het alternatieve aanvangsmoment van de looptijd van de schuldsanering.
Ambtshalve
Het is opvallend dat de rechtbank dit ambtshalve zelf moet uitzoeken, nu er wel gemeentelijke schuldhulpverlening betrokken was in het minnelijke traject van mevrouw. De kans op een eerdere ingangsdatum van de Wsnp is over het algemeen groter als daarop (in het belang van de klant) expliciet een onderbouwd beroep wordt gedaan door de schuldhulpverlener. Anders is het hopen op een alerte rechtbank die zelf de Vtlb-berekening bekijkt en controleert, en de datum daarvan vastlegt, en conform de rechtspraak van de Hoge Raad beschouwt als een nulaanbod dat aan de crediteuren is gedaan.
Vervroegen en verlengen
Hoe dit ook zij: de rechtbank laat mevrouw toe tot de schuldsaneringsregeling, en verlengt enerzijds de duur met een half jaar, maar bepaalt anderzijds ook dat er reeds een half jaar van die duur verstreken is. Want de rechtbank verlengt op grond van art. 349a lid 1 Fw de (standaard)termijn van 18 maanden met 6 maanden naar 24 maanden. Anderzijds legt de rechtbank het aanvangsmoment vast op de datum dat de schuldhulpverlener het ‘nul-aanbod’ aan de schuldeisers heeft gedaan, te weten 17 april 2025. Nu de looptijd van de schuldsanering 24 maanden bedraagt eindigt deze schuldsanering op 17 april 2027.
Documentsoort
- Uitspraken en jurisprudentie
Trefwoorden
- Eerdere ingangsdatum
- rechtbank Noord-Holland
Gerelateerd
In dit hoger beroep gaat het om de vraag of óók nadat in een voorafgaand faillissement is afgedragen conform het vastgestelde Vtlb, de Wsnp een eerdere ingangsdatum kan krijgen.
In september 2024 is het faillissement van appellante omgezet in een Wsnp. Op advies van de Wsnp-bewindvoerder zou het verzoek om een eerdere ingangsdatum niet moeten worden gehonoreerd: bij vonnis van 16 januari 2025 heeft de rechtbank het ...
Uitspraak van 6 maart 2025 waarin de rechtbank bepaalt dat aflossingen in het kader van langlopende betalingsregelingen niet gelijk gesteld kunnen worden aan "aflossen" in de zin van artikel 349a lid 1 van de Faillissementswet (Fw).