Rechtbank Rotterdam - toelating Wsnp met eerdere ingangsdatum
De datum die bij dit artikel vermeld staat is de datum waarop deze kenniskaart voor het laatst is bijgewerkt.
Hier vindt u een verzameling uitspraken van rechtbank Rotterdam, waarbij het Wsnp-verzoek wordt toegewezen en de rechtbank aanleiding ziet om een eerdere ingangsdatum te bepalen. Die eerdere ingangsdatum kan conform het verzoek zijn, maar soms ook daarvan afwijken.
Rechtbank Rotterdam, 3 december 2025
De standaard "riedel" van rechtbank Rotterdam:
"Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan."
Als gevolg van ontheffing van de sollicitatieplicht door de Sociale Dienst stelt de rechtbank vast dat zij vanaf dat moment heeft voldaan aan de inspanningsplicht. Verder is vanaf dat moment een bedrag afgedragen onder beslag, maar had zij eigenlijk méér kunnen sparen.
Nu het bedrag dat onder het beslag is afgedragen lager is dan het bedrag dat gespaard had kunnen worden voor de gezamenlijke schuldeisers, zal de rechtbank tot saldering van de eerdere ingangsdatum overgaan. De rechtbank bepaalt daarom een eerdere ingangsdatum van twee maanden.
Zo ook de zaak ECLI:NL:RBROT:2025:14465 van 3 december 2025: in de periode van het schuldhulpverleningstraject ook aan de inspanningsverplichting voldaan (ontheffing sollicitatieplicht door Sociale Dienst) en als gevolg van beslag op het inkomen is méér afgedragen dan op basis van het vtlb gespaard had moeten worden in diezelfde periode. De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op de dag waarop de schuldregelingsovereenkomst is afgesloten.
Rechtbank Rotterdam, 26 november 2025
Verzoekster heeft, door middel van het overleggen van vrijstellingen van de sollicitatieplicht, voldaan aan de inspanningsverplichting.
Er is gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject niet gespaard voor de (gezamenlijke) schuldeisers, omdat door een schuldeiser beslag is gelegd op de inkomsten van verzoekster. Daardoor is gedurende elf maanden een deel van de inkomsten alleen betaald aan deze schuldeiser. Naar het oordeel van de rechtbank is het feit dat er gedurende die periode niet is gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers in dit geval niet toe te rekenen aan verzoekster. Daarom telt die periode wel mee bij het bepalen van een eerdere ingangsdatum.
De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op de dag waarop er gedurende het minnelijke traject van schuldhulpverlening voor het eerst is afgelost uit hoofde van een ten laste van verzoekster gelegd beslag.
Rechtbank Rotterdam, 26 november 2025
Vanwege een verslavingsverleden, justitieel verleden met nog openstaande taakstraf én vorderingen die niet te goeder trouw zijn ontstaan wordt verzoeker eerst met een beroep op de hardheidsclausule toegelaten tot de Wsnp.
Omdat de rechtbank dus op voorhand niet onaannemelijk acht dat door verzoeker aan de verplichtingen in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject is voldaan, ziet de rechtbank aanleiding om (i) een eerdere ingangsdatum te bepalen, en (ii) het definitieve oordeel over de nakoming van de verplichtingen in het voortraject te laten aan de rechter-commissaris of de rechtbank die een oordeel moet geven over de beëindiging van de schuldsaneringsregeling. De uitkomst van die beoordeling kan aanleiding zijn om de looptijd van de schuldsaneringsregeling (alsnog) te verlengen (artikel 349a lid 2 Fw respectievelijk artikel 349a lid 3 Fw). De rechtbank verwijst voor deze route naar het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913), rechtsoverweging 3.6.5, laatste alinea.
Rechtbank Rotterdam, 26 november 2025
In deze zaak is een rechtstreeks Wsnp-verzoek ingediend. Verzoekster was tot februari 2025 getrouwd in gemeenschap van goederen. Haar ex-partner is in 2019 vertrokken en heeft niets meer laten weten. Zij weet niet of haar ex-partner in de periode 2019 – februari 2025 schulden heeft gemaakt die ook op haar verhaald zouden kunnen worden.
De rechtbank acht op voorhand niet onaannemelijk dat door verzoekster aan de verplichtingen in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject is voldaan en ziet daarom aanleiding om (i) een eerdere ingangsdatum te bepalen, en (ii) het definitieve oordeel over de nakoming van de verplichtingen in het voortraject te laten aan de rechter-commissaris of de rechtbank die een oordeel moet geven over de beëindiging van de schuldsaneringsregeling. De uitkomst van die beoordeling kan aanleiding zijn om de looptijd van de schuldsaneringsregeling (alsnog) te verlengen (artikel 349a lid 2 Fw respectievelijk artikel 349a lid 3 Fw). De rechtbank verwijst voor deze route naar het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913), rechtsoverweging 3.6.5, laatste alinea.
De rechtbank komt tot de conclusie dat er weliswaar geen aanbod is gedaan, maar dat toch een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 11 juni 2025, zijnde de dag waarop het plan van aanpak bij SHV is getekend. In dit plan van aanpak is de beslissing genomen om geen minnelijke regeling te beproeven. Bovendien lag vanaf 11 juni 2025 beslag op het inkomen van verzoekster en rustte er op haar geen inspanningsplicht, daar zij 80-100% arbeidsongeschikt is verklaard.
Rechtbank Rotterdam, 24 september 2025
Toewijzing verzoek toelating Wsnp met een eerdere ingangsdatum van meer dan 18 maanden voor datum vonnis. Schuldenaar heeft in het schuldhulpverlenerstraject geen afloscapaciteit gehad maar wel nog 61 euro gespaard. Aan afdrachtverplichting voldaan. Ook aan inspanningsverplichting is voldaan: hij had ontheffing van de sollicitatieverplichting.
Over de eerdere ingangsdatum overweegt de rechtbank allereerst:
“De rechtbank komt dus tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De ingangsdatum zou – gelet op het onderhavige verzoek – in beginsel worden vastgesteld op 29 augustus 2023, zijnde de dag waarop de eerste aflossing in de zin van art. 349a lid 1 Fw is gedaan. De schuldsaneringsregeling duurt volgens artikel 349a Fw echter – in beginsel – achttien maanden. Het voorgaande betekent dat de schuldsaneringsregeling niet eerder dan achttien maanden voor datum vonnis kan ingaan. Verder dient de boedel gefixeerd te worden zodat de looptijd niet eerder kan eindigen dan de dag na die waarop dit vonnis wordt gewezen. De rechtbank zal daarom de ingangsdatum vaststellen op 25 maart 2024. Dat is achttien maanden voor deze fixeringsdatum.”
En vervolgens bepaalt de rechtbank niet een verlenging van 6 maanden voor de afwikkeling, maar overweegt de rechtbank als volgt:
“De looptijd van de regeling van de heer [verzoeker] is dus achttien maanden eerder ingegaan voor de fixeringsdatum. De looptijd van de regeling verstrijkt op 25 september 2025. Verder geldt dat de bewindvoerder nu pas kan starten met zijn taken. Hierdoor is het van belang dat de heer [verzoeker] ook na de fixeringsdatum verplicht blijft om mee te werken aan de afwikkeling. Hij is ook verplicht om daarvoor informatie aan de bewindvoerder aan te leveren. Tot de boedel behorende goederen moeten nog worden afgedragen. Na de materiële looptijd geldt er geen inspanningsverplichting (art. 288 Fw) en ook geen verplichting om inkomsten boven het vtlb af te dragen (art. 295 Fw).”
En in het dictum doet de rechtbank het volgende:
- einddatum van de schuldsaneringsregeling wordt vastgesteld op 25 september 2025;
- rechtbank bepaalt dat er na de einddatum een medewerkingsplicht en een informatieplicht geldt tot het verbindend worden van de slotuitdelingslijst;
- rechtbank stelt een datum vast voor de verificatievergadering;
- rechtbank draagt de bwv op om uiterlijk binnen 5 maanden na datum vonnis eindverslag uit te brengen.
Rechtbank Rotterdam, 24 september 2025
Verzoeker heeft gedeeltelijk voldaan aan afdrachtverplichting. Rechtbank gaat over tot saldering. Aan inspanningsverplichting is voldaan. Eerdere ingangsdatum 13 maanden voor vonnis. Niets overwogen over een verlenging met 1 maand o.i.d. (of iets dergelijks), in het dictum stelt rechtbank de einddatum vast op 24 februari 2026 en een datum voor de verificatievergadering.
Organisatie
- Rechtbank Rotterdam
Documentsoort
- Uitspraken en jurisprudentie
Trefwoorden
- Rechtbank
- Rechtspraak
Gerelateerd
Twee van de drie schuldeisers zijn met het aanbod akkoord gegaan. De weigerende schuldeiser vertegenwoordigt 12,9% van de totale schuldenlast. Het aanbod voldoet aan de formele vereisten en is volgens de rechtbank het uiterste waartoe ...
Verzamelde uitspraken van rechtbank Den Haag betreffende de toewijzing van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord.
Hier vindt u een verzameling uitspraken van rechtbank Den Haag, waarbij het Wsnp-verzoek wordt toegewezen en de rechtbank aanleiding ziet om een eerdere ingangsdatum te bepalen. Die eerdere ingangsdatum kan conform het verzoek zijn, maar soms ...