Contractbeëindiging en daaruit voortvloeiende schulden
De diverse wettelijke regels met betrekking tot contractbeëindiging en de gevolgen daarvan zijn nogal versnipperd en niet altijd eenvoudig te doorgronden. De auteurs gaan nader in op deze wettelijke regelingen, en met name de vraag welke schulden ontstaan door opzegging of ontbinding van een overeenkomst tijdens de sanering.
Wsnp Periodiek mei 2014, nummer 12
Arnoud Noordam en Margreet van Bommel
1. Inleiding
1.1 De enkele beslissing van de rechter de wettelijke schuldsaneringsregeling toe te passen, tast bestaande contractuele verhoudingen tussen de schuldenaar en derden niet aan. Zo blijft de huurovereenkomst voor de woning van de schuldenaar in stand. Ook de arbeidsovereenkomst van een saniet/werknemer met zijn werkgever blijft overeind. En voor het geval het gaat om een (ex-)ondernemer en de ondernemende schuldenaar (nog) werkgever is: De beslissing van de rechter de (ex-)ondernemer toe te laten tot de schuldsanering verandert niets aan die arbeidsovereenkomsten.
1.2 Deze hoofdregel – de toepassing van de sanering verandert niets aan contractuele verhoudingen – wil niet zeggen dat contracten tijdens de sanering ongewijzigd blijven. De insolvente toestand van de schuldenaar zal er vaak toe leiden dat één of beide contractpartijen de contractuele verhouding wenst te beëindigen juist omdat de saniet niet aan zijn betalingsplicht of prestatieplicht kan voldoen. Bovendien is het niet ongebruikelijk dat contracten voorzieningen bevatten voor het geval insolventie van de afnemer intreedt. Zo staat bijvoorbeeld in hypotheekaktes of algemene hypotheekvoorwaarden veelal de bepaling dat de hypotheekschuld geheel en onmiddellijk opeisbaar wordt bij toepassing van de schuldsaneringsregeling; de sanering verandert dan niet de contractuele afspraken maar heeft wel contractueel bepaalde (rechts-)gevolgen.
1.3 De diverse wettelijke regels met betrekking tot contractbeëindiging en de gevolgen daarvan zijn nogal versnipperd en niet altijd eenvoudig te doorgronden. De wettelijke saneringsregeling, ondergebracht in Titel III van de Faillissementswet, bevat diverse regels ten aanzien van de bevoegdheid van de schuldenaar en/of de bewindvoerder en/ of de contractuele wederpartij om de andere partij te verzoeken een overeenkomst na te komen dan wel de bevoegdheid op te zeggen. Ook zijn er regels die bepalen of resulterende schulden bij niet-nakoming c.q. niet-betaling (a) boedelschulden, (b) verifieerbare schulden of (c) nieuwe schulden van de schuldenaar zijn. Verder zijn er in de Wsnp zogenoemde schakelbepalingen die verwijzen naar de regelingen die gelden bij faillissementen (Titel I van de Faillissementswet). Zo bepaalt de schakelbepaling van art. 313 dat de bepalingen van art. 37 en 37a Fw, die gelden in faillissement, van overeenkomstige toepassing zijn bij toepassing van de schuldsaneringsregeling. Art. 37 gaat met name over een verzoek van een contractuele wederpartij aan de faillissementscurator (c.q. Wsnp-bewindvoerder) om een overeenkomst na te komen en art. 37a over de concurrente, verifieerbare schulden die ontstaan bij ontbinding, vernietiging of niet-nakoming van een contract. Art. 299 Fw bevat gelijke maar net iets anders geformuleerde regels die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp: in de sanering verifieerbare schulden die ontstaan door ontbinding, vernietiging en niet-nakoming van een overeenkomst. Naast deze algemene regels zijn in de Wsnp nog regels opgenomen die specifiek betrekking hebben op een bepaald type overeenkomst. Art. 304 geeft beschermende bepalingen waar het gaat om nutsvoorzieningen. Art. 305 bevat een bijzondere regeling voor huurovereenkomsten waarbij de schuldenaar huurder is; een specifieke bepaling voor het geval de schuldenaar verhuurder is, ontbreekt. Voor wat betreft de situatie dat de schuldenaar werkgever is, verwijst de schakelbepaling van art. 313 naar de regeling in faillissement, artikel 40 Fw.
1.4 In deze bijdrage gaan wij nader in op de bovengenoemde wettelijke regelingen, en met name de vraag welke schulden ontstaan door opzegging of ontbinding van een overeenkomst tijdens de sanering. Wij besteden niet alleen aandacht aan situaties die van belang zijn voor consumenten maar bespreken ook situaties die zich vooral voordoen bij (ex-) ondernemers in de Wsnp. In HR 19 april 2013 (Koot Beheer/Tideman q.q.) LJN BY6108 ging het om opzegging van de huur van een bedrijfspand door de faillissementscurator van de gefailleerde huurder. Tijdens de huurperiode was aan de gevel van het pand schade opgetreden. De verhuurder meende dat deze schade, gezien de opzegging door de curator, een boedelschuld opleverde. De HR oordeelde echter dat sprake was van een verifieerbare schuld. De HR deed in deze zaak een aantal algemene en voor de afwikkeling van faillissementen belangwekkende uitspraken over het ontstaan van boedelschulden en verifieerbare schulden door, onder meer, contractbeëindiging. In deze bijdrage willen wij onderzoeken of deze HR-uitspraak óók betekenis zou kunnen hebben in schuldsaneringskwesties.
2. Contractbeëindiging tijdens schuldsanering – algemene bepalingen
2.1 Het in art. 313 Fw van overeenkomstige toepassing verklaarde art. 37 Fw geeft de contractuele wederpartij de mogelijkheid aan de Wsnp-bewindvoerder te vragen of die bereid is een overeenkomst, tussen de saniet en de contractuele wederpartij, gestand te doen (bereid is het contract na te komen). Als de bewindvoerder zich bereid verklaart tot nakoming ontstaat een boedelschuld. Die kwalificatie boedelschuld geldt zowel voor de reeds bestaande als de nieuwe, lopende contractuele verplichtingen. Indien de bewindvoerder zich tot nakoming bereid verklaart, dient hij ook zekerheid voor die nakoming te stellen. Art. 37 bepaalt verder dat de bewindvoerder zijn recht om nakoming te vragen verliest indien hij niet tijdig gereageerd heeft op het verzoek van de wederpartij aan de bewindvoerder om de overeenkomst gestand te doen. In faillissementssituaties vindt art. 37 nog wel eens toepassing bij (tijdelijke) bedrijfsvoortzetting door de curator, bijvoorbeeld bij voorbereiding van verkoop van de bedrijfsactiva of een doorstart. Als in schuldsaneringszaken al sprake is van bedrijfsvoortzetting zal het steeds de schuldenaar zijn die het bedrijf voortzet, niet de bewindvoerder (vgl. art. 311 Fw); art. 37 speelt dan geen rol. In schuldsaneringszaken zal het, vermoeden wij, nooit of vrijwel nooit voorkomen dat een Wsnp-bewindvoerder een bereidverklaring afgeeft als bedoeld in art. 37 Fw (juncto 313 Fw).
2.2 Wat betreft de bevoegdheid tot opzegging en/of ontbinding van overeenkomsten door de wederpartij, de schuldenaar en eventueel de bewindvoerder zijn met name 1) de wettelijke bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (Boek 6 BW) en 2) de contractuele bepalingen en eventueel daaraan gekoppelde algemene voorwaarden van belang. In saneringssituaties zal een leverancier slechts bereid zijn een overeenkomst voort te zetten (en niet op te zeggen of te ontbinden) zolang de schuldenaar blijft betalen. Die betalingen zal de schuldenaar dan uit het hem ter beschikking staande, vrij te laten bedrag (vtlb) moeten doen. Te denken valt bijvoorbeeld aan het doorlopen van en door de saniet te betalen abonnementen op kabeltelevisie, telecommunicatie, kranten en tijdschriften, lesgelden of andere periodieke leveringen c.q. dienstverleningen. De bewindvoerder zal de boedel in dergelijke situaties op geen enkele wijze willen binden en art. 37 Fw speelt dan nauwelijks een praktische rol. De bepalingen in de Faillissementswet zijn wel van groot belang waar het gaat om de opzegging van huur- en arbeidsovereenkomsten en de opschorting van de aflevering van gas, water, elektriciteit of verwarming zie daarover nader par. 3 en 4 hieronder. Voor de opzeggingen en andere rechtshandelingen bedoeld in de art. 37, 40 en 305 Fw heeft de bewindvoerder overigens toestemming van de R-C nodig (art. 316 lid 2 Fw).
2.3 De saniet is zelf verantwoordelijk voor nakoming van de betalingsverplichting van doorlopende contracten. Verplichtingen die bij aanvang van de sanering niet zijn nagekomen zullen veelal leiden tot opzegging of ontbinding door de leverancier, een enkele keer ook zal een overeenkomst vernietigd worden. De contractuele wederpartij van de saniet zal zijn vorderingen – wegens ontbinding of vernietiging van een vóór de sanering gesloten overeenkomst en vorderingen die strekken tot schadevergoeding ter zake van tekortschieten in de nakoming van een vóór de sanering verkregen vordering als concurrente vordering bij de bewindvoerder kunnen indienen. Aldus bepaalt het in saneringszaken van overeenkomstige toepassing verklaarde art. 37a Fw. In iets andere bewoordingen bepaalt art. 299 lid 1 sub b en c feitelijk hetzelfde. Over schulden die ontstaan door opzegging, na toepassing sanering, zwijgen de art. 37a en 299 Fw.
3. Opzegging huurovereenkomst
3.1 Opzegging door verhuurder – oude en nieuwe huurschulden
A. Oude huurschulden woonruimte. Indien de schuldenaar vóór de toepassing van de schuldsaneringsregeling in gebreke is gebleven met betaling van de huur voor zijn woonruimte dan vormt die achterstallige huur géén grond voor de verhuurder om de huur tijdens de sanering op te zeggen of de huurovereenkomst te ontbinden (art. 305 lid 2 Fw). Zelfs een vóór de sanering tegen de schuldenaar uitgesproken ontruimingsvonnis kan tijdens de sanering niet ten uitvoer worden gelegd, mits de huurder de lopende huur wél betaalt. Een ontruimingsvonnis wordt niet aangetast door toepassing van de schuldsaneringsregeling en kan ook in een appelprocedure tijdens de sanering bekrachtigd worden, maar ook in dat geval kan het vonnis gedurende de schuldsaneringsregeling niet ten uitvoer worden gelegd (aldus Hof Den Bosch 22 mei 2012, LJN BW6291). Komt de schuldenaar zijn huurverplichtingen tijdens de schuldsaneringsregeling niet na, dan kan de verhuurder ontruiming vorderen of een eventueel vóór toepassing van de schuldsaneringsregeling behaald ontruimingsvonnis alsnog ten uitvoer leggen.
B.1 Oude huurschulden bedrijfsruimte. Voor het geval de schuldenaar vóór de toepassing van de schuldsaneringsregeling in gebreke is gebleven met betaling van de huur voor zijn bedrijfsruimte kent Titel III van de Faillissementswet geen specifieke beschermende bepalingen. De verhuurder zou in een dergelijk geval kunnen opzeggen of ontbinden en ontruimen conform de regels van Boek 7 BW (zie voor de ontbindingsregeling art. 7:231 BW) dan wel in overleg met de saniet een beëindigingsregeling kunnen treffen.
B.2 Oude huurschulden bedrijfsruimte na voorafgaand faillissement. Boedelschulden die zijn ontstaan in een faillissement dat is omgezet in een toepassing van de schuldsaneringsregeling blijven boedelschulden in de Wsnp (art. 15 d lid 1 onder b Fw). Art. 358 lid 3 Fw bepaalt echter dat de boedelschulden uit een voorafgaand faillissement, omgezet in schuldsanering, wél onder de schone lei vallen tenminste voor zover deze boedelschulden niet uit de Wsnp-boedel kunnen worden voldaan. Dat geldt dus ook voor huurschulden die zijn ontstaan door een (tijdelijke) voortzetting van een onderneming tijdens een voorafgaand faillissement. Hof ’s-Gravenhage 3 juni 2008, LJN BD3267 heeft de reikwijdte van deze uitzondering vergroot door analoge toepassing van art. 358 lid 3 Fw voor Wsnp-boedelschulden uit een kort ná de toepassing van de schuldsaneringsregeling gestaakte onderneming zonder voorafgaand faillissement. Als deze uitspraak geldend recht weergeeft, zou dat betekenen dat huurschulden die ontstaan in een (korte) periode na toepassing van de schuldsanering ook nog onder de schone lei vallen tenminste wanneer de onderneming kort na aanvang van de sanering wordt gestaakt.
C. nieuwe huurschulden. Volgens art. 305 lid 3 mag de verhuurder wél opzeggen indien de huurder verzuimt tijdens de sanering de huur te betalen. De maximale opzegtermijn bedraagt dan drie maanden. De wettekst bepaalt niet dat deze opzegregeling ook alleen zou gelden voor woonruimte. Wij nemen aan dat de verhuurder deze opzegmogelijkheid ook heeft als het gaat om bedrijfsruimte of verhuur van andere, roerende zaken.
C1. Woonruimte. Huurschulden met betrekking tot de woonruimte die ontstaan tijdens de schuldsaneringsregeling zijn geen boedelschulden. De schuldenaar wordt geacht de huur te betalen van het vrij te laten bedrag. De verhuurder kan dus niet aan de bewindvoerder het verzoek doen de huurachterstand van de boedelrekening te voldoen. Anders dan een beschermingsbewindvoerder beheert de Wsnp bewindvoerder alleen het boedelvermogen, zijnde het bovenmatige deel van het vermogen van de schuldenaar terwijl de beschermingsbewindvoerder bewind voert over het gehele vermogen van de schuldenaar. Mocht de verhuurder, naast de schuldenaar, de Wsnp-bewindvoerder als gedaagde partij in een ontruimingsprocedure mee dagvaarden dan zou de verhuurder als eisende partij niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Het betreft immers geen boedelaangelegenheid. De huurder heeft geen recht op huurbescherming als de verhuurder, met een beroep op art. 305 lid 3 Fw, de huurovereenkomst opzegt. Naar het oordeel van de Amsterdamse voorzieningenrechter is art. 305 lid 3 Fw een zelfstandige opzeggingsgrond die leidt tot de buitengerechtelijke beëindiging van de huurovereenkomst. Art. 305 lid 3 Fw derogeert als bijzondere bepaling aan de algemene bepalingen met betrekking tot opzegging en beëindiging van huurovereenkomsten als voorzien in Boek 7 BW, zie Voorzieningenrechter Rb. Amsterdam 12 april 2012, LJN BW8891.
C2. Bedrijfsruimte. Indien de schuldenaar zijn zelfstandig beroep of bedrijf voortzet met toestemming van de r-c dan vormen verschuldigde huurpenningen wél boedelschulden (art. 311 lid 3 Fw). In theorie is ook denkbaar dat een schuldenaar een onderneming voortzet zonder expliciete toestemming (zonder beschikking) van de r-c-en/of de bewindvoerder. In de praktijk komt dit een enkele keer wel voor, maar als de bewindvoerder tégen de voortzetting is, zal hij meestal aansturen op een tussentijdse beëindiging van de schuldsanering. De boedel is zonder de 311-beschikking, in beginsel, niet gebonden en de huurpenningen vormen een nieuwe schuld van de schuldenaar (geen boedelschuld). Het oordeel van Hof Leeuwarden van 15 februari 2011, LJN BQ0826 ging over een situatie waarbij de saniet zijn bedrijfsruimte onderverhuurde en deze onderverhuur nog enkele maanden doorliep tijdens de schuldsanering. De hoofdverhuurder zei tijdens de sanering de huur op en (de rechtsopvolger van deze verhuurder) stelde zich op het standpunt dat de achterstallige huur een boedelschuld vormde. Het Hof oordeelde dat, ondanks de onderverhuur, geen sprake was van bedrijfsvoortzetting en dat het feit dat de Wsnp-bewindvoerder de huur niet had opgezegd, niet betekende dat er sprake was van een boedelschuld.
3.2 Opzegging door huurder
Een huurovereenkomst, waarbij de schuldenaar huurder is, kan zowel door de schuldenaar/ huurder als door de bewindvoerder opgezegd worden, aldus bepaalt art. 305 lid 1 Fw. Daarbij zijn zij gehouden de opzegtermijnen van Boek 7 BW (deels regelend en dus geen dwingend recht) dan wel de contractuele of ‘gebruikelijke’ opzegtermijnen in acht te nemen. Art. 305 lid 1 bepaalt echter ook dat een opzegtermijn van drie maanden in ieder geval voldoende is. Tenzij de huur voor een langere termijn vooruitbetaald is; dan geldt die langere termijn ook als opzegtermijn. De wettelijke bepaling maakt geen onderscheid tussen woonruimte of andere door de saniet/huurder gehuurde onroerende of roerende zaken – steeds geldt de regeling van art. 305 lid 1 Fw.
3.3 Opzegging door Wsnp-bewindvoerder – ontstaan boedelschulden?
De faillissementscurator kan een huurovereenkomst opzeggen met een opzegtermijn van maximaal drie maanden en de huur-boedelschuld beperken tot drie maanden (art. 39 Fw). In de literatuur en jurisprudentie speelt al lang de vraag of door opzegging van contracten door de faillissementscurator (andere) boedelschulden kunnen ontstaan. In HR 19 april 2013 (Koot Beheer/Tideman q.q.) LJN BY6108 ging het om de vraag of de verplichting opleveringsschade te vergoeden, na opzegging door de curator, een boedelschuld oplevert. De HR deed in deze zaak principiële uitspraken over het ontstaan van boedelschulden al dan niet door handelingen van de curator:
‘In het […] stelsel van de Faillissementswet past niet dat, indien de curator in het belang van de boedel de huur beëindigt, de schadevergoedingsverplichting die in verband met de huurbeëindiging ontstaat, een boedelschuld is op de enkele grond dat zij is ontstaan als gevolg van een rechtshandeling en dus door toedoen van de curator. Daarmee zou immers een uitzondering worden gemaakt op de hoofdregel dat indien de curator in het belang van de boedel geen uitvoering geeft aan een door de gefailleerde voor de faillietverklaring aangegane overeenkomst, slechts een concurrente vordering voor de wederpartij resteert, en op het aan die regel ten grondslag liggende beginsel van de gelijkheid van schuldeisers. Voor die uitzondering valt in de Faillissementswet geen rechtvaardiging of grond te vinden. Van een boedelschuld is daarom geen sprake.
3.7.1 Deze uitkomst strookt ook met hetgeen volgt uit de Faillissementswet met betrekking tot boedelschulden. Op grond van die wet zijn boedelschulden slechts die schulden die een onmiddellijke aanspraak geven jegens de faillissementsboedel hetzij ingevolge de wet, hetzij omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan, hetzij omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting. Onder het aangaan van een schuld door de curator in deze zin is te verstaan dat de curator deze schuld op zich neemt bij een rechtshandeling, doordat zijn wil daarop is gericht (art. 3:33 en 35 BW).'
Het lijkt ons aannemelijk dat deze uitspraak óók betekenis heeft voor de vraag of door handelingen van de Wsnp-bewindvoerder boedelschulden in een schuldsaneringszaak kunnen ontstaan. Weliswaar baseert de HR zijn arrest mede op de regeling in art. 39 Fw welke niet geldt in schuldsaneringskwesties, maar de hierboven geciteerde oordelen hebben met name ook betrekking op het stelsel van art. 37 en 37a Fw die juist wel gelden in Wsnp-zaken. Wij menen dat in het verlengde van dit HR-arrest in een faillissementssituatie goed verdedigbaar is dat opzegging van contracten door de Wsnp-bewindvoerder niet zal resulteren in boedelschulden maar in verifieerbare schulden die onder de schone lei vallen (art. 37a/313/358 Fw). De HR heeft nog wel opgemerkt dat in een geval als aan de orde in HR 18 juni 2004, LJN AN8170 (Circle Plastics; over ontruiming na opzegging huurovereenkomst door faillissementscurator van een vervuild bedrijfsterrein) de ontruimingsverplichting wél een boedelschuld kan zijn. De HR hanteerde in dat arrest uit 2004 het lang gangbare maar ook veel bekritiseerde ‘toedoen-criterium’ op grond waarvan een boedelschuld (ontruimingsverplichting) ontstaat als gevolg van een rechtshandeling door de curator (opzegging huur). In HR-arrest 19 april 2013 Koot Beheer/Tideman q.q. leert de HR ons dat in faillissement boedelschulden ontstaan, kort gezegd, (a) ingevolge de wet, (b) indien schulden door de curator zijn aangegaan (met zijn wil daarop gericht), of (c) omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting. Dit nieuwe criterium voor het ontstaan van boedelschulden leent zich ons inziens óók voor toepassing in saneringszaken.
Volledigheidshalve merken wij op dat in de faillissementsrechtelijke literatuur nog volop gedebatteerd wordt over de betekenis en reikwijdte van het arrest Koot Beheer/Tideman q.q. het voert ons te ver om in dit overzichtsartikel op de finesses in te gaan.
4. Afsluiting nutsvoorzieningen
Een partij die gas, water, elektriciteit en/ of verwarming levert mag tijdens de schuldsaneringsregeling niet de levering opschorten indien de schuldenaar vóór toelating tot de schuldsaneringsregeling een schuld heeft laten ontstaan, zie art. 304 lid 1 Fw. Mocht er sprake zijn van pre-Wsnp-schulden dan mag de leverancier op grond van art. 304 lid 2 ook niet tot ontbinding van de overeenkomst overgaan. Deze bescherming van de afnemer geldt alleen voor de levering van gas, water, elektriciteit en/ of verwarming benodigd voor de eerste levensbehoeften. Dit impliceert dat het om particulieren gaat die een huishouding voeren. De leverancier resteert niets anders dan de vordering ter verificatie in te dienen bij de bewindvoerder. Art. 304 lid 3 bepaalt voorts nog dat een nutsbedrijf zich alleen met goedvinden van de bewindvoerder mag beroepen op een beding, bijvoorbeeld in de algemene leveringsvoorwaarden, dat ontbinding van de overeenkomst in verband met het enkele uitspreken van de Wsnp mogelijk maakt. Een leverancier kan wel opschorten of ontbinden indien de schuldenaar vóór de toelating tot de schuldsaneringsregeling een andere verplichting dan het betalen van een geldsom niet is nagekomen (bijvoorbeeld: geen of een onjuiste opgave doen van de meterstanden) of wegens tekortkomingen in de (financiële) verplichtingen ná de uitspraak schuldsanering.
Overigens bieden de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas en de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van drinkwater algemene –ook buiten insolventieprocedures geldende regels teneinde kwetsbare consumenten en ook ondernemende kleinverbruikers te beschermen tegen afsluiting van elektriciteit en gas respectievelijk water. Zo biedt de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas onder meer bescherming tegen afsluiting door leveranciers in de winterperiode, 1 oktober – 1 april, wanneer de verbruiker heeft verzocht om schuldhulpverlening c.q. de vordering van de leverancier betrokken wordt bij een schuldhulpverleningstraject. Per 1 januari 2014 is de Warmteregeling in werking getreden om kleinverbruikers te beschermen tegen afsluiting door leveranciers van onder meer stadsverwarming of blokverwarming.
5. Beëindiging ziektekostenverzekering
Op grond van art. 287b kan een schuldenaar voorlopige voorzieningen vragen indien sprake is van een bedreigende situatie. Onder bedreigende situatie wordt volgens lid 2 verstaan een gedwongen woningontruiming, beëindiging van de levering van gas, elektra of water of opzegging dan wel ontbinding van de zorgverzekering. In paragraaf 3 en 4 hierboven is ingegaan op de artikelen 304 en 305 Fw waarin nadere regels zijn gesteld omtrent de beëindiging van contracten inzake nutsvoorzieningen en huur. Een dergelijke aparte Wsnp-regeling ontbreekt ten aanzien van de zorgverzekering (ziektekostenverzekering). In de Zorgverzekeringswet (Zvw) is bepaald dat het niet-betalen van de zorgpremie niet leidt tot opzegging of ontbinding van de zorgverzekering, maar tot de verplichting om een (bestuursrechtelijke) premie aan het Zorginstituut te betalen, zie art. 18a e.v. Zvw. De verzekerde dient dan een bedrag van 130% van de standaard zorgpremie aan het Zorginstituut te betalen. Dit geldt alleen ten aanzien van de basisverzekering en bij een premieachterstand van tenminste zes maanden. Het CJIB heeft, via een stelsel van mandaatbesluiten, de bevoegdheid om tot daadwerkelijke incasso van de bestuursrechtelijke premie over te gaan en ook dwangbevelen uit te vaardigen. Hiermee wordt op de oude premieschuld niet afbetaald. Zodra de oude premieschuld alsnog aan de verzekeraar is voldaan, meldt de verzekeraar de schuldenaar af bij het Zorginstituut waarna de premie weer rechtstreeks betaald moet worden aan de verzekeraar. Wordt een schuldenaar toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling dan is de verzekeraar verplicht het Zorginstituut onmiddellijk daarvan op de hoogte te stellen waarna de schuldenaar (weer) rechtstreeks premie betaalt aan de verzekeraar. Van de Wsnp-bewindvoerder mag wel verwacht worden dat hij het Zorginstituut op de hoogte stelt zodra het hem bekend wordt dat de schuldenaar de premie aan het Zorginstituut betaalt. Indien de schuldenaar tijdens de schuldsaneringsregeling een achterstand laten ontstaan van zes termijnen dan kan de verzekeraar de schuldenaar (opnieuw) aanmelden bij het Zorginstituut ter betaling van de bestuursrechtelijke premie (130%). Uiteraard zou een dergelijke nieuwe schuld ook aanleiding kunnen zijn de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen, mocht de schuldenaar er niet in slagen de achterstand gedurende de schuldsaneringsregeling weg te werken.
6. Opzegging arbeidsovereenkomsten
De regeling van art. 40 Fw geldt ook in schuldsaneringszaken (art. 313 Fw). Dat brengt met zich dat de Wsnp-bewindvoerder een arbeidsovereenkomst tussen een derde-werknemer en de saniet-werkgever in ieder geval kan opzeggen met een opzegtermijn van maximaal zes weken. Op basis van de bepalingen in het BW of het arbeidscontract zou de opzegtermijn korter kunnen zijn. Voor de opzegging behoeft de bewindvoerder toestemming van de r-c en de werknemer kan tegen de toestemming beroep aantekenen bij de rechtbank; een en ander op straffe van vernietigbaarheid en aansprakelijkheid van de bewindvoerder (schakelbepaling art. 316 lid 3 verklaart art. 67 en 72 Fw ook van toepassing bij wettelijke schuldsanering). Indien de saniet zijn onderneming met toestemming van de bewindvoerder en de r-c voortzet (art. 311 Fw), kan men zich afvragen of de opzeggingsbevoegdheid bij de bewindvoerder blijft rusten; het ligt voor de hand dat de bewindvoerder in een dergelijke situatie geen arbeidsovereenkomsten opzegt zonder instemming van -of tenminste overleg met de ondernemende saniet. Het salaris tijdens de opzegtermijn vormt een boedelschuld (art. 40 Fw).
7. Slotopmerking
Wij hopen met deze bijdrage de schuldsaneringspraktijk enig overzicht en inzicht te hebben gegeven in de problematiek rond de beëindiging van contracten tijdens de schuldsanering en (het begin van) een antwoord op de vraag wat voor schulden daar dan uit voort kunnen vloeien: verifieerbare schulden, nieuwe niet-verifieerbare schulden van de saniet en boedelschulden. Wij nodigen lezers uit te reageren met ervaringen uit de praktijk, en uiteraard zijn ook reacties uit andere hoek zeer welkom.
Documentsoort
- Vakliteratuur
- Wsnp periodiek
Trefwoorden
- Nieuwe schulden
- Wsnp Periodiek
Gerelateerd
Wsnp wordt tussentijds beëindigd door een uitspraak op een ander rechtsgebied. (Terugvorderingsbesluit [veronderstelde] onterechte bijstandsuitkering.) Het terugvorderingsbesluit wordt herroepen. De schuldenaar stelt de uitkeringsinstantie ...
De auteur bespreekt de casus die aanleiding was voor de uitspraak van rechtbank Gelderland d.d. 30 oktober 2018.
Uitleg over (het ontstaan van) onterecht betaalde uitkeringen (onverschuldigde betaling) en uitleg van de Hoge Raad of deze terugbetalingsvordering onder de werking van de Wsnp en schone lei valt