Vallen materiële en/of immateriële schadevergoeding in de boedel?
In deze uitspraak beantwoordt de rechtbank de vraag of materiële en/of immateriële schadevergoeding in de schuldsaneringsboedel vallen. Daarbij bespreekt de rechtbank het gevolg van de inwerkingtreding Wet Affectieschade op 1 januari 2019. Sindsdien heeft concretisering van de aanspraak op immateriële schadevergoeding in een vaststellingsovereenkomst namelijk niet meer tot gevolg dat het recht op immateriële schadevergoeding voor beslag vatbaar wordt en in de schuldsaneringsboedel valt.
De casus
Na een verkeersongeval in juli 2024 is aan de schuldenaar een schadevergoeding toegekend. De schadevergoeding heeft voor € 7.500,- betrekking op smartengeld (immateriële schade) en voor € 6.300,- op materiële schade. De Wsnp was van toepassing van 1 september 2023 tot 1 maart 2025. De Wsnp-bewindvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de volledige schadevergoeding, minus een bedrag van € 2.040,38 voor door schuldenaar gemaakte noodzakelijke (medische) kosten, in de boedel valt.
De beschermingsbewindvoerder van de schuldenaar heeft de rechter-commissaris bij brief van 29 oktober 2025 verzocht om (primair) te besluiten dat de aan schuldenaar uitgekeerde schadevergoeding volledig buiten de boedel blijft, uitgezonderd de vergoeding voor een gemiste bonus van werk en voor het eigen risico zorgverzekering 2024. Subsidiair is verzocht te besluiten dat het deel van de uitgekeerde schadevergoeding dat is aangewend voor medische kosten en de aanschaf van een vervangende auto buiten de boedel blijft, alsook het deel van de uitgekeerde schadevergoeding ten behoeve van betaling van toekomstige noodzakelijke medische en psychische herstelkosten.
Beoordeling rechtbank
Ontvankelijkheid
Het verzoek van 29 oktober 2025 is door de schuldenaar en zijn beschermingsbewindvoerder ingediend. Zolang zijn goederen onder bewind staan is de schuldenaar niet bevoegd om te procederen in zaken die zijn vermogen betreffen. Nu in deze procedure de vraag moet worden beantwoord of de schadevergoeding in zijn vermogen of dat van de schuldsaneringsboedel valt, kan de schuldenaar niet in het verzoek van 29 oktober 2025 worden ontvangen. De beschermingsbewindvoerder is wel ontvankelijk.
Omvang van de schuldsaneringsboedel
Artikel 295 Fw bepaalt de omvang van de schuldsaneringsboedel. Kort gezegd omvat de boedel alle goederen die de schuldenaar heeft ten tijde van de Wsnp-uitspraak en ook de goederen die hij tijdens de Wsnp verkrijgt. Het bepaalde in artikel 295 Fw geldt niet voor goederen die de schuldenaar verkrijgt na afloop van de termijn die ingevolge artikel 349a Fw voor de betrokken schuldregeling geldt. Deze termijn is de zogeheten materiële looptijd van de Wsnp.
Immateriële schadevergoeding
Uit een overzicht van de verzekeringsmaatschappij volgt dat het aan schuldenaar op 21 mei 2025 uitgekeerde eindbedrag van € 11.800,- voor een bedrag van in totaal € 7.500,- betrekking heeft op smartengeld (immateriële schadevergoeding).
Vóór de inwerkingtreding van de Wet Affectieschade (1 januari 2019) viel het recht op vergoeding van immateriële schade in de schuldsaneringsboedel als deze bij ovk was vastgelegd of daarvoor een vordering in rechte was ingesteld. De rechtbank gaat in op HR uitspraak en de Wet Affectieschade. Met de invoering daarvan is artikel 6:106 lid 2 BW vervangen door art. 6:95 lid 2 BW. Daarin is bepaald dat het recht op vergoeding van immateriële schade niet vatbaar is voor beslag. Dit betekent, aldus de rechtbank, dat “concretisering van de aanspraak op immateriële schadevergoeding in een vaststellingsovereenkomst niet meer tot gevolg heeft dat het recht op immateriële schadevergoeding voor beslag vatbaar wordt en in de schuldsaneringsboedel valt.”
In deze zaak is de immateriële schadevergoeding niet tijdens maar ná afloop van de materiële looptijd van de Wsnp uitgekeerd aan schuldenaar. Daarom valt de immateriële schadevergoeding van € 7.500,- dus niet in de schuldsaneringsboedel.
Materiële schadevergoeding
Ten aanzien van de materiële schadevergoeding oordeelt de rechtbank dat het bedrag van de door schuldenaar noodzakelijke (medische) kosten niet afgedragen hoeft te worden, maar het resterende deel wel. Dat resterende deel ziet namelijk niet op kosten waarvan de omvang is vast komen te staan en door schuldenaar daadwerkelijk zijn gemaakt. Evenmin is het bedoeld voor het bekostigen van verdere medische en psychische hersteltrajecten.
Organisatie
- Rechtbank Oost-Brabant
Documentsoort
- Rechtspraak
- Uitspraken en jurisprudentie
Trefwoorden
- rechtbank Oost-Brabant
- Rechtspraak
- Schadevergoeding
Gerelateerd
Verzamelde uitspraken van rechtbank Oost-Brabant waarbij het Wsnp-verzoek werd afgewezen vanwege het feit dat het minnelijk traject niet of niet goed is uitgevoerd.
De datum die bij dit artikel vermeld staat is de datum waarop deze kenniskaart voor het laatst is bijgewerkt.
Hier vindt u een verzameling uitspraken van rechtbank Rotterdam, waarbij het Wsnp-verzoek wordt toegewezen maar de rechtbank géén ...
In deze zaak deed de rechter-commissaris een voordracht tot tussentijdse beëindiging. De zaak is vervolgens op 10 oktober 2025 behandeld en daarna voortgezet op 28 november 2025. De rechtbank heeft de voordracht afgewezen.